Bergweiden in alle kleuren groen met grazende koeien en zes zwarte bergtoppen als decor. Grillige, nauwe kloven waar nauwelijks zonlicht doordringt en geen plant groeit. De Picos de Europa: één groot wandeldorado. Ervaring is niet per se nodig. Maar ook voor getrainde kuiten is dit oudste natuurpark van Spanje een uitdaging.

De Picos de Europa waren het eerste wat zeelieden zagen vanaf zee als ze terugkwamen uit Amerika. Hoewel de bergen niet eens zo hoog zijn, was de bergketen door de ligging vlak bij de Atlantische Oceaan een belangrijk ijkpunt. Tot voor enkele jaren was dit vooral een geliefde vakantiebestemming van veel Spanjaarden, maar inmiddels zijn de Picos ook ontdekt door Nederlanders. In juli en augustus hoor je op de markt van het bergdorpje Potes meer Nederlands dan Spaansom je heen. Gelukkig zijn er nog steeds stille plekjes waar je uren kunt wandelen zonder iemand tegen te komen.

Wolven

De Picos de Europa zijn ondanks hun geringe hoogte en omvang het popu-lairste wandelgebied van Spanje. Ingesloten door drie diepe door rivieren uitgesleten ravijnen, heeft het gebied een unieke ligging. Als je het goed wilt leren kennen kun je je vakantie het best in tweeën splitsen. In de eerste helft kun je dan het noordelijke deel verkennen en in het tweede deel het zuiden. Wij kiezen Soto de Cangas als eerste basis. Er is een eenvoudige camping zonder zwembad, wat ook in het hoogseizoen rust garandeert. Iets verderop in Cangas de Onís en Ribadesella krioelt het hoogzomers van de toeristen, maar wij delen het campingterrein met slechts een tiental andere kampeerders. We komen er ’s avonds aan, zetten de tent op en kruipen in onze slaapzak. En dan begint het: huuuuu, huuuuu! Onafgebroken horen we het gehuil van de wolven, die nog steeds voorkomen in dit gebied. Maar deze zijn wel akelig dichtbij. Als we de volgende dag op pad gaan zijn we toch een beetje huiverig, maar dan blijkt dat de camping recht tegenover La Granadera ligt, een dierenpark met lokale fauna zoals wolven, lynxen en bruine beren. Nu maar hopen dat we die vandaag niet in het wild tegenkomen.

Legendarische Don Pelayo

Vanuit Soto de Cangas is het slechts 7 kilometer naar Covadonga, de plek waar de reconquista, de herovering van Spanje op de islamitische bezetters, zou zijn begonnen. De weg erheen is bezaaid met kleine pensionnetjes en restaurants waar je voor een tientje een prima dagmenu kunt krijgen met lokale producten:paté van zee-egel, goed gevulde stoofpotjes en hazelnotenpudding, altijd begeleid door een fles huisgemaakte cider. Maar dat is meer iets voor de terugweg. Eerst naar Covadonga, voor veel Spanjaarden een belangrijk christelijk heiligdom. Hier zou de West-Gotische koning Pelayo in 718 met een klein groepje volgelingen het Moorse leger tot staan hebben gebracht. Asturië is daarom ook de enige provincie van Spanje die nooit onder Moors gezag is geweest. De grot van Covadonga, waar de stoffelijke resten van de legendarische Don Pelayo liggen, is nog steeds een belangrijk bedevaartsoord. Om de pelgrims op te vangen werd op de berg tegenover de grot eind negentiende eeuw een basiliek neergezet. Door de ligging tussen de bergen en de roze steen die bij de bouw is gebruikt is de kerk een stuk imposanter vanbuiten dan vanbinnen. Vooral als je aan komt rijden is de aanblik spectaculair.

Stoïcijnse koeien

Na Covadonga kronkelt de weg steeds verder omhoog naar de twee bergmeren Enol en La Ercina. Geen route voor wie niet van smalle bergweggetjes zonder vangrails houdt. Maar als je daar geen bezwaar tegen hebt is de 12 kilo­ meter lange tocht adembenemend. Stop onderweg vooral bij de Mirador de la Reina, met een fenomenaal uitzicht op de omliggende bergen en de Cantabri-sche kust. De weg wordt regelmatig versperd door koeien met grote bellen om hun nek, die hier vrij mogen grazen. Sommige zijn zo stoïcijns dat ze zelfs bij luid getoeter niet van wijken willen weten.

Dit deel van de Picos, het gebergte van Covadonga, kreeg al in 1918 de status van Nationaal Park. Pas later werd daar de rest van de Picos de Europa aan toegevoegd. De meren op 1000 en 1100 meter zijn een geliefd uitje. Als we aankomen wemelt het er van de bustoeristen en gezinnen met kinderen, die elkaar op de foto zetten met de meren en de koeien en dan weer verder reizen. Als we vijf minuten lopen langs het laatste meer, het Lago de La Ercina, komen we echter niemand meer tegen. Vanuit hier vertrekken wandelroutes van 4 tot 20 kilo-meter door de bergen. Wij beginnen aan de korte wandeling, maar als plotse-ling mist komt opzetten, besluiten we terug te keren. We zijn gewaarschuwd: de mist kan hier snel opkomen en is vaak zo dicht dat je geen hand voor ogen meer ziet. Als we bij de auto zijn, is het meer geheel aan ons zicht onttrokken.

Topwandelingen

De volgende dag in Bulnes hebben we meer geluk met het weer. Bulnes is een van de weinige Spaanse dorpen die niet over de weg bereikbaar zijn. Tot het begin van deze eeuw kon je hier alleen lopend komen of op de rug van een ezel. Maar in 2001 werd de Funicular de Bulnes in gebruik genomen en nu ben je vanuit Puente de Poncebos in zeven minuten in het bergdorpje. De restaurants in de pittoreske stenen dorpshuisjes aan het snelstromende bergriviertje dat door Bulnes loopt varen wel bij de komst van de personenlift. Overal zijn terrasjes met grote parasols waar je lokale lekkernijen kunt eten en een goed glas appelcider kunt drinken. Vanuit Bulnes starten schitterende wandelroutes rond de puntige top van de Naranjo de Bulnes (2500 meter), een van de hoogste bergen in de Picos de Europa. We beginnen aan de weg omhoog, het is meteen pittig stijl, maar we worden direct beloond met geweldige uitzichten op de Naranjo en andere toppen. Al snel drijven de steekmuggen ons tot wanhoop, die het op onze knieholtes voorzien hebben. We willen graag verder, maar hier zijn we niet tegen bestand. De top zullen we sowieso niet bereiken. Volgens de boekjes doe je er zes uur over en kan de tocht gevaarlijk zijn. Niet geschikt voor onze te weinig getrainde kuiten. We keren terug naar Bulnes voor een late lunch: een plankje met lokale worsten en kaasspecialiteiten met een glas cider.

Dwars door de Picos

Bij het beginpunt van de funicular, in Poncebos, start nog zo’n topwandeling door de Picos, de Ruta del Cares, een geweldige tocht langs de rivier de Cares. Je doorkruist via een pad dat uit de rotsen is gehakt de Picos van het Asturiaan-se noorden tot in Caín, in de provincie León. Het pad is op de eerste 2 kilometer na vlak, dus de route is ook goed te doen door minder geoefende wandelaars. Bovendien is verdwalen niet mogelijk want je volgt de loop van de rivier. Intus-sen doorkruis je het hele gebergte. Neem wel een zaklamp mee om ook goed zicht te hebben in de vele tunnels langs de route en zorg voor goed schoeisel want het kan glad zijn. Veel Spanjaarden doen slechts een deel van de tocht en beginnen dan in Caín.

Dorpsfeest

Wij sluiten ons bij deze Spaanse traditie aan en rijden de volgende dag via de nauwe Desfiladero de los Beyos naar camping El Cares in Santa María de Valdeón in het zuiden van het natuurpark.Campings zijn dun gezaaid in de Picos. Alleen rond het toeristische Potes is er een flink aantal. Onze camping ligt geïsoleerd, midden in de bergen bij een piepklein, bijna verlaten dorpje met uitzicht op de bergen. Geen zwembad, geen andere voorzieningen voor kinderen.Een met de natuur,dat willen en verwachten we. Maar als we ’s avonds onze tent hebben opgezet aan de rand van de camping onder de beschutting van wat bomen, begint het:gepraat, gelach, gekletter van pannen, borden, messen en vorken. Blijkt dat onder bij het riviertje een groep Spaanse vrienden een jaarlijks feestje bouwt. Ze moeten om tien uur stoppen. Eindelijk rust! Maar dan begint het gedreun en het houdt niet meer op. Dit was toch een natuur-camping? We treffen het niet. Juist dat weekend viert Santa María de Valdeón het jaarlijkse dorpsfeest met twee avonden disco op het dorpsplein tot vijf uur ’s nachts. De rust overdag, de behulpzame jongens van de receptie, die alles kunnen vertellen over de wandelmogelijkheden, en het restaurantje met simpel maar lekker en goedkoop eten maken het de volgende dag gelukkig goed.

De sneeuw in

Vanaf de camping vertrekken verschillende wandelingen door de Picos. Onze Nederlandse buren maken met hun drie kinderen een trektocht van twee dagen naar Fuente Dé. Onderweg overnachten ze in een refugio, een berghut die door de campingstaf voor ze is geregeld. Het campingpersoneel houdt ook contact met de wandelaars om te zien of alles goed gaat. Wij besluiten een stuk van die wandeling door de eeuwige sneeuw te maken. Niet ver van de camping gaan we de berg op, eerst door de velden, dan door een oud berkenbos.De sneeuw is al in zicht. Maar dan komt plots de mist weer opzetten. We hebben geen navigatie bij ons en niemand weet dat we hier zitten. Er zit niets anders op dan terug te keren naar de camping. Veel toeristen die de Picos bezoeken kiezen voor de weg van de minste weerstand om de eeuwige sneeuw te bereiken. In Fuente Dé kun je met de kabelbaan naar het 750 meter hoger gelegen uitzichtpunt Mirador del Cable om van daaruit wandelingen door de sneeuw te maken. In de zomer is dit het meest toeristische oord van de Picos en zul je al snel een halfuur in de rij moeten staan voor de kabelbaan. Geen aanrader!

Gratis spa

De volgende dag rijden we richting Caín, een tocht van slechts 12 kilometer langs slaperige dorpjes over slingerweggetjes met onderweg een paar forse watervallen. In Caín start de klassieke tocht door de Picos. Echt avontuurlijk is dat pad niet voor getrainde wandelaars. Het is uitgehakt voor het elektriciteits-en waterbeheer en wordt zeer goed onderhouden. De eerste kilometer lopen we in colonne, zo populair is het. Het zijn, net als bij de meren van Covadonga, de fotograferende dagjesmensen. Maar hoe verder je komt, hoe rustiger het wordt. Je kunt de wandeling zo lang maken als je wilt. Als je goed getraind bent, kun je op een dag heen en terug lopen, een tocht van 24 kilometer. De meeste mensen die hier wandelen, verblijven in Potes, met meer dan twintig hotels het toeristische centrum van de regio. Wij komen er op een hete markt-dag en weten niet hoe snel we weer weg moeten komen. Op de terugweg richting kust door de spectaculaire kloof La Hermida stoppen we bij het spahotel La Hermida, waar je kunt badderen in heet bronwater uit de bergen. Een kamer met gebruik van de spa kost €190. Gelukkig is er een goedkopere én leukere manier om het warme bergwater langs onze vermoeide benen te laten stromen. Onder de brug naar het hotel zijn met stenen twee natuurlijke jacuzzi’s gemaakt. Het hete water komt zo uit de rotswanden borrelen. En het leuke is: dit staat niet in alle gidsjes. De toeristenmassa die van de kust naar Potes rijdt en vice versa rijdt hier gewoon voorbij. Alleen mensen uit de omgeving zitten hier tot diep in de nacht te genieten. Sst, niet verder vertellen!

Oefen je Spaans met deze samenvatting over Picos de Europa

Dit artikel is eerder verschenen in ESPANJE! (nummer 2, jaargang 2014) en de informatie kan achterhaald zijn. Auteur: Marjan Terpstra