Alles waar Spanje om bekendstaat, vind je in Sevilla, om precies te zijn in de zigeunerwijk Triana. Flamencozangeres Rosario La Tremendita leidt ons door haar geboortewijk, de broedplaats van de flamenco, en we gaan op bedevaart naar El Rocío.

De brede rivier de Guadalquivir snijdt Sevilla dwars doormidden. Aan de ene kant ligt het centrum. Het dwarrelt er van de toeristen. Ze vergapen zich aan de moors-christelijke mudéjarbouwstijl van het Alcázar kasteel waar, zo fluistert de gids ons in het oor, koning Juan Carlos destijds met zijn minnares gerieflijke momenten doorbracht. Toeristen bewonderen de naastgelegen kathedraal en het monumentale Plaza de España. Ze dolen door kriskrasstraatjes van Santa Cruz, met authentieke tapasbars en terrassen op straat in de koelte van de overhangende huizen. Vlak voor de brug over de Guadalquivir, de Puente Isabel II, droogt de toeristenstroom op.

Triana, zigeunerwijk

Aan de overkant van de rivier ligt de meest bezongen wijk in de flamencogeschiedenis: Triana. De verkeerde kant, heet het in Sevilla ook wel. Hier, in de smalle straten achter de kade, vestigde zich in de loop der eeuwen een grote zigeunergemeenschap. De wijk bleef lange tijd een afgezonderd deel van Sevilla. Zigeuners (gitanos) en aan lager wal geraakte niet-zigeuners (payos) deelden elkaars armoedige lot. Voor buitenstaanders mocht Triana een no-go-area zijn; de inwoners zelf waren maar wat trots op hun wijk en staken alleen in noodgevallen de rivier over. Ze waren er zo arm als de kerkratten, maar nergens kon je beter feesten dan in Triana.

In de 18e en 19e eeuw werkten veel inwoners in de wijk als ijzersmid. In de smidse klonken boven het ritmische getik van de hamers de prachtigste liederen. De gitanos gaven hun muziek een vleugje mystiek uit een andere, verre wereld mee en brachten vele legendes voort. Zo bracht señor Manuel Cagancho z’n gehoor in trance met zijn emotionele manier van zingen. Hij noch de vele andere grote namen uit Triana hebben met hun muziek ooit geld verdiend. Zelfs niet in de hoogtijdagen in het midden van vorige eeuw. Hun muziek klonk alleen in de beslotenheid van hun eigen huizen in Triana. Ze wensten geen andere beloning dan de aanmoedigingskreten (jaleos) van de toehoorders.

Flamenco in rokerige kroegen

Rond 1850 was flamenco voor het eerst buiten de eigen kring en wijk te horen in de cafés cantantes. Dat waren niet wat je noemt heilige tempels van flamencokunst. In de rokerige kroegen dronken artiesten na de voorstelling een glaasje met de bezoekers en bedelden in het voorbijgaan om sigaretten, drankjes en geld. In Sevilla en Triana bestaan nog steeds een paar van zulke bars, waar artiesten in- en uitlopen en spontaan hun gitaar oppakken, zoals Carbonería in het centrum van Sevilla. Of Lo Nuestro in Triana, waar je tot in de kleine uurtjes kunt swingen op live flamencomuziek, die de bezoekers aanzet tot de meest krankzinnige sevillanas. Na 1950 komen in plaats van de cafés cantantes van weleer tablaos, gelegenheden waar bezoekers al tafelend en drinkend een show kunnen zien. De grote namen, onder wie zanger Camarón, leerden er het vak. Tablaos zijn er nog altijd veel in Sevilla, maar de top zie je er niet meer. Die treedt op in concertzalen en op festivals over de hele wereld.

Rosario

Zo ook zangeres (cantaora) Rosario La Tremendita. We ontmoeten haar op het hoofdplein Plaza del Altozano. Bij haar gigantische stemgeluid verwacht je niet deze meisjesachtige verschijning. We lopen elkaar dan ook bijna voorbij. Rosario werd 27 jaar geleden geboren in deze wijk en woont er nog altijd. Maar er is weinig wat nog herinnert aan het roemruchte verleden van de wijk. We zien vooral brede winkelstraten met huizen met moderne gevels opgetrokken uit fonkelnieuwe bakstenen. Rosario knikt. “Het is een dure, trendy buurt geworden. Toen de projectontwikkelaars eind vorige eeuw bezit namen van de wijk, vertrokken de meeste zigeuners noodgedwongen naar de buitenwijken. Hele huizenblokken werden gesloopt. Advocaten, artsen en ICT’ers betrokken de nieuwe huizen of knapten oude woningen op. De buurt ademt hier niet meer flamenco zoals in mijn jeugd,” zegt ze met spijt in haar stem. Op het plein lopen we haar tante tegen het lijf, die ons vergezelt naar hun geboortehuis in een van de kronkelstraatjes in hartje Triana waar oma nog steeds woont. “Daar, achter dat raam, ben ik geboren,” vertelt ze.

Rokkenjagen

Rosario groeide op in een echte flamencofamilie. “Bij ons stonden op de bank steevast twee gitaren.” Haar overgrootmoeder had 21 kinderen die allemaal in Triana woonden. Ze wijst naar boven. Daar, op het dakterras, verzamelde zich de familie, inclusief de buren, de overburen en iedereen die maar wilde spelen en zingen of klappen. In haar jeugd was flamenco nog niet de podiumkunst die het nu is, maar een manier van leven. Drinken, roken en rokkenjagen tot je erbij neerviel. ‘Ik ben flamenco’, heette het. Zo was het ook voor Rosario’s vader, die nog steeds de flamenco lifestyle aanhangt. Elke avond treedt hij op in een tablao in het centrum. Toch was het haar vader die Rosario aanspoorde om haar kunst serieus te nemen en dagelijks te studeren, mee te doen aan concoursen en alle opnames van de klassieke grootheden te bestuderen. Hij bracht haar ook de discipline bij die hij zelf nooit had kunnen opbrengen. “Zo leef ik mijn vaders droom.”

Weergaloos feesten

Rosario neemt ons mee naar haar oom in Triana. Zijn winkel, met een keur aan old school flamenco- en relisouvenirs, is op zich al een bezoekje waard. Oom zelf is nog niet helemaal in het land der levenden na een lange nacht vol drank en feesten. Hij was net als wij en vele inwoners van Triana op de laatste doorwaakte nacht van de jaarlijkse pelgrimage in het nabijgelegen El Rocío. Het gehucht stelt niet veel meer voor dan een kerk, waarin de maagd van Rocío huist, en een honderdtal huizen waar de pelgrims slapen, feestvieren en bidden in elk hun eigen kapel. In het pinksterweekend ttransformeert dit dorp tot de grootste bedevaartplek van Zuid-Spanje. De verschijning van de maagd van Rocío wordt er op z’n Andalusisch gevierd met wijn, flamenco en weergaloos feesten.
Vijf dagen eerder vormt de wijk Triana het vertrekpunt voor een van de drie hoofdroutes naar El Rocío. De mannen, vrouwen en kinderen van de broederschap van Triana maken zich op voor een dagenlange tocht in traditionele huifkarren voortgetrokken door ossen. Sinds eeuwen loopt de lange stoet van karren, paarden en wandelaars dezelfde route op onverharde, stoffige paden. Onderweg drinken de pelgrims wijn, veel wijn, en zingen ze hun speciale pelgrimsliederen. Bij de rustplaatsen onder de sterrenhemel dansen en zingen de pelgrims sevillanas, begeleid door gitaar, fluit en handgeklap.

Kijkje in de Spaanse ziel

Sevilla mag bekend zijn om de Semana Santa, El Rocío biedt waarschijnlijk het beste kijkje in de Spaanse ziel. De pelgrimage is voor een nuchtere Nederlander een onnavolgbare combinatie van mystieke godsdienstbeleving en ongecompliceerd feestvermaak. In het pinksterweekend drommen honderdduizenden bezoekers samen. Bijna alle vrouwen dragen flamencojurken, modern tot op de knie, romantisch wit kant of klassiek gestipt. De een nog prachtiger dan de ander, geen twee zijn er hetzelfde, en altijd de roos ferm op het hoofd. De mannen gaan gekleed in een traditioneel Andalusisch pak, met brede westernhoed en gesteven rodeojas.
In de huizen van de broederschappen eten en drinken de leden samen met bezoekers, die gastvrij worden onthaald. Binnen en buiten worden sevillanas gedanst en op de stoffige straten wemelt het van de koetsen en ruiters (de vrouw schrijlings bij de man achterop). Ondertussen lopen de pelgrims in en uit de kerk, waar de een na de ander op de knieën zakt voor het heilige relikwie, dat omgeven door klatergoud staat uitgestald voor het altaar. In het holst van de nacht rooft een van de broederschappen volgens oud gebruik het Mariabeeld uit de kerk, waarna de wilde menigte in extase probeert Maria aan te raken.

Na een tocht langs alle broederschappen keert de maagd bij het ochtendkrieken terug naar de kerk. Na de wandeling door Triana brengt Rosario ons weer terug naar het plein Plaza del Altozano. Daar aan de kades van de rivier, aan de Calle Betis, speelt zich in de zomer het uitgaansleven van Sevilla af, in en op de straten rond de flamenco- en tapasbars. Daar laten de jongeren zien dat je ook nu nog nergens anders beter kunt feesten dan in Triana.

Dit artikel is eerder verschenen in ESPANJE! (España & más nummer 3, jaargang 2012) en de informatie kan achterhaald zijn. Auteur: Annet Maseland.

Over de auteur:
Annet Maseland studeerde Spaanse taal en letterkunde en werkt als freelance journalist. Ze heeft een huis in Huesca, Aragón, en doet niets liever dan reizen door Spanje.

Keramiek

Azulejos, geglazuurde tegels beschilderd met kleurrijke taferelen, hebben hun oorsprong in het Andalusië van de Moren. Het centrum van de tegel- en keramiekindustrie ligt in Triana. Het barst er nog steeds van de winkels, fabrieken en kunstenaars, vooral in de straten Callao, Antillano Campos en Alfarería. Op www.retabloceramico.net staat een lijst met keramiekfabrieken en kunstenaars.

Huizen

De meeste traditionele communale huizen die de grote zigeunerfamilies samen bewoonden, zijn eind 20e eeuw verdwenen. Een paar zijn er als monument bewaard gebleven in de straten Alfarería, Castilla en Pagés del Corro.

Kopen

Als je Triana binnenkomt op het Plaza del Altozano vind je rechts de overdekte markt, een perfecte plaats om hammen en andere lekkernijen in te slaan. Breng ook zeker een bezoekje aan de winkel van Rosario’s oom, met reli- en flamencosouvenirs. Hermanos Cofrades, Calle Alfarería 27.

Flamenco-optredens

Tablaos
El Arenal, Calle Rodo 7
El Patio Sevillano, Paseo Colón 11
El Palacio Andaluz, Calle Maria Auxiliadora 18 Los Gallos, Plaza de Santa Cruz 11

Bars
Lo Nuestro, Calle Betis 31
La Taberna, Calle Duarte 3
Casa Anselma, Calle Pagés del Corro 49 La Carbonería, Calle Levies 18

Shows
Casa de la Memoria, Calle Ximénez de Enciso 28 Auditorio Alvarez Quintero, Calle Álvarez Quintero 48

Eten & drinken

Bar Las Golondrinas, eten en drinken met de Spanjaarden, Calle Antillano Campos 26
Bar Blanca Paloma, aanrader voor de lunch, goede tapas en onovertro en bocadillos, Calle San Jacinto 9
Arenero, experimentele hedendaagse tapas, Pasaje de Vila 6
El Patio San Eloy, authentieke sfeer, goede tapas voor weinig geld in voormalig badhuis, Calle Eloy 7.

Todo lo que simboliza España, se encuentra en Sevilla, para ser precisos en el barrio gitano de Triana. La cantaora Rosario La Tremendita nos guía por su barrio natal, la cuna del amenco, y vamos de romería a El Rocío.

El ancho río Guadalquivir corta Sevilla por la mitad, localizándose el casco urbano en una de sus márgenes. El centro atrae a un gran número de turistas, que contemplan embelesados los testimonios del arte mudéjar cristiano- musulmán del castillo del Alcázar, donde, como nos susurra al oído el guía, el Rey Don Juan Carlos ha vivido agradables momentos con su amante. Los turistas deambulan por el laberinto de callejones de Santa Cruz. Justo antes del Puente Isabel II sobre el Guadalquivir, la corriente de turistas parece disiparse.

Barrio gitano

En la otra orilla del río se sitúa el barrio más alabado de la historia del flamenco: Triana. Allí nos reunimos con la cantaora Rosario La Tremendita. Rosario nació hace 27 años en este barrio y nunca lo dejó. Aunque actualmente, Triana poco recuerda a su legendario pasado. Vemos sobre todo anchas calles de tiendas con edificios de fachadas modernas y flamantes ladrillos. Rosario asiente. ‘Se ha convertido en un barrio caro y popular. Cuando a finales del siglo pasado los promotores inmobiliarios se apoderaron del barrio, los gitanos se vieron obligados a trasladarse a los barrios periféricos. Manzanas enteras fueron derribadas. Abogados, médicos y especialistas de TI ocuparon las viviendas nuevas o renovaron las antiguas. El barrio ya no respira el espíritu flamenco, como hacía durante mi niñez,’ dice con tristeza en la voz.

Fiestas inigualables

Rosario nos lleva a la tienda de su tío en Triana. El local en sí, con toda una variedad de tradicionales souvenirs religiosos y relacionados con el flamenco, ya merece una visita. Su tío todavía no se ha recuperado de la resaca de una larga noche de copas y fiesta. Al igual que nosotros y muchos trianeros, acudió a la última noche en vela de la romería anual al cercano pueblo de El Rocío. Durante el año El Rocío es un pueblo fantasma, para transformarse en el fin de semana de Pentecostés en el principal lugar de peregrinación del sur de España. La aparición de la Virgen del Rocío se celebra a la andaluza, con vino, flamenco y fiestas inigualables.

Cinco días atrás, el barrio Triana era el punto de partida de unos de los tres itinerarios principales a El Rocío. Durante el camino los romeros toman vino, mucho vino, y entonan sus cantos rocieros. En los lugares de descanso, las rocieras sevillanas bailan y cantan bajo el cielo estrellado, acompañadas por la guitarra, la flauta y las palmas.

Ventana al alma española

Si bien Sevilla es conocida por su Semana Santa, es El Rocío que realmente ofrece una ventana al alma española. Para el holandés medio, siempre tan sensato, esta romería constituye una combinación única de una experiencia religiosa mística y desenfadadas fiestas. El fin de semana de Pentecostés congrega a cientos de miles de visitantes. Según tradición, en la madrugada del lunes, una de las hermandades ‘roba’ la imagen de la Virgen de la iglesia, tras lo cual la muchedumbre, agitada y extasiada, se agolpa para tocar a la Virgen. Después de ser saludada por todas las hermandades, la Virgen regresa al despuntar el día a la iglesia.

Lees alle berichten over:

cultuur
flamenco
Semana Santa
Sevilla
Sevilla El Rocío
Stedentrip
traditie
Triana