Met Romería voltooit Carla Simón haar persoonlijke trilogie over verlies, herinnering en afkomst. Na de internationaal gelauwerde films Estiu 1993 en Alcarràs keert de Catalaanse regisseur opnieuw terug naar haar eigen familiegeschiedenis. Ditmaal staat een reis naar Galicië centraal, waar de ouders van het hoofdpersonage Marina – net als die van Simón zelf – stierven aan aids tijdens de verwoestende epidemie die Spanje trof in de jaren na het einde van het Francisco Franco-regime. De film is vanaf 9 april te zien in Nederland en Vlaanderen.
Romería speelt tegen de achtergrond van een vaak onderbelichte periode in de recente Spaanse geschiedenis. Na de dictatuur van Franco veranderde Spanje razendsnel: grenzen gingen open, drugs kwamen het land binnen, en in regio’s als Galicië ontstond een heroïne-epidemie die duizenden jonge levens verwoestte. Toen daar in de jaren tachtig en negentig de aidscrisis overheen kwam, werd een hele generatie vrijwel weggevaagd. Simón maakt van deze historische tragedie geen expliciet maatschappelijk drama. In plaats daarvan blijft ze dicht bij het persoonlijke. De ziekte is niet zozeer een plotpunt als wel een schaduw die over alles hangt: over families, herinneringen en over wat verzwegen wordt.
Verborgen familiegeschiedenis
Marina reist naar de Galicische kust om een administratieve kwestie op te lossen: ze heeft de handtekening van haar grootouders nodig om officieel vast te leggen dat hun overleden zoon haar vader was. Wat volgt is een pijnlijk weerzien. De grootouders behoren tot de gegoede klasse, afstandelijk en zichtbaar ongemakkelijk met de aanwezigheid van hun kleindochter. Hun zoon – Marina’s vader – was een verslaafde die zij jarenlang verborgen hielden voor de buitenwereld. De familiegeschiedenis is iets wat men liever stilhoudt. De spanning bereikt een hoogtepunt wanneer zij Marina proberen af te kopen met geld, zodat zij het document niet hoeven te ondertekenen. Wanneer zij uiteindelijk toch willen tekenen, stellen ze voor een andere doodsoorzaak te vermelden. Marina corrigeert hen zonder aarzeling: “Het was aids.” In die ene zin breekt ze met de decennialange schaamte die haar familie omringt.
Twee talen, twee werelden
Zoals vaker in Simóns werk speelt taal een subtiele maar belangrijke rol. In Galicië klinkt Galicisch in de gesprekken tussen familieleden en dorpsbewoners, terwijl Marina ook Catalaans spreekt – de taal van de regisseur zelf. Die meertaligheid onderstreept Marina’s positie als buitenstaander: ze hoort ergens bij, maar ook weer niet helemaal. Taal wordt zo een symbool van afkomst en vervreemding. Simón toont twee zeer verschillende familie-werelden. Aan de ene kant het levendige leven aan zee in Galicië: ooms, tantes, neven en nichten, een huis waar mensen samen eten, praten en lachen. Tegelijkertijd hangen er donkere schaduwen over de familie. De grootouders – elegant, welgesteld en emotioneel gesloten – belichamen de schaamte van een generatie die verslaving en aids liever wegstopte dan onder ogen zag. Die tegenstelling tussen warmte en beklemming is een van de sterkste elementen van de film.
Galicisch aidsdrama krijgt gezicht
In het eerste deel van Romería zien we Marina vooral observeren: stil, nieuwsgierig, soms licht verliefd kijkend naar haar neef. In het tweede deel maakt Simón een opvallende stilistische keuze: dezelfde acteurs die eerder Marina en haar neef speelden, verschijnen nu als haar ouders in het verleden. Daardoor ontstaat een bijna droomachtige spiegeling tussen generaties – alsof Marina zichzelf en haar familiegeschiedenis opnieuw verbeeldt. Romería is geen luid drama maar een bedachtzame, bijna contemplatieve film. Simón filmt met haar kenmerkende natuurlijke stijl: veel daglicht, lange observaties, aandacht voor kleine gebaren en blikken. Wat de film zo krachtig maakt, is dat ze een persoonlijk verhaal verbindt met een collectief trauma. De aids-epidemie in Spanje is lang overschaduwd door schaamte en stilzwijgen. Door Marina’s eenvoudige maar onwrikbare uitspraak – ‘het was aids’ – krijgt dat verleden eindelijk een gezicht.








