Bomen tot op het strand. Hagelwitte zandstranden. Turquoise water. Nee, dit is geen Caribisch eiland, maar het noordwesten van Spanje. In Galicië zijn de Atlantische eilanden Islas Cíes, Isla de Ons, Isla de Sálvora en Isla de Cortegada het neusje van de zalm. Een perfecte combinatie met de grillige kustlijn van de roemruchte Costa da Morte aan de vaste wal.

Een wandeling over het smalle, meest noordelijke eiland van de Islas Cíes is rijk aan contrasten. Aan de westkant kijk je vanaf steile kliffen naar de eindeloze oceaan; aan de oostzijde zijn er rustige baaien, met zeilboten voor anker. Aan deze beschutte zijde liggen enkele huizen. Lange tijd was het eiland in handen van religieuze orden die de afzondering zochten. Maar toen Francis Drake en zijn corsarios zich op de eilanden verstopten, kozen de monniken het hazenpad.

Geplaagde eilanden
De geplaagde eilanden belandden uiteindelijk in handen van rijke families, die er zoutfabrieken startten. De bewoners van toen verbouwden mais en aardappelen, hakten eucalyptushout om de winter door te komen en vingen dagelijks vele kilo’s inktvis. Geregeld sliepen de vissers, opgerold in een zeil, op het strand. Nadat ze aan de vaste wal hun pulpo (inktvis) en percebes (eendenmosselen) hadden verkocht, kwamen ze thuis. Maar in de jaren zeventig hadden hun kinderen geen trek meer in dit zoute en winderige leven en trokken naar de kust.

Na een duik in het heldere, koude water lopen we naar de natuurcamping even verderop. ’s Avonds kijken we vanuit onze hangmatten naar de maan en bedenken dat het maar goed is dat het eiland in 2002 een nationaal park is geworden. De zeevogelkolonies en natuurliefhebbers kunnen voorlopig gerust zijn.

Islas Cies Galicië strand

Allemaal familie
Behalve de Islas Cíes is ook Isla de Ons toegankelijk voor wandelaars. Dit eiland maakt een iets meer gecultiveerde indruk dan de ruige Islas Cíes. Bovendien staan aan de beschutte zijde nog maar liefst negentig huizen. In betere tijden woonden hier zo’n vijfhonderd mensen en er zijn nog altijd zomerbewoners. Voor een van de tweekamerwoningen treffen we Uxía. ‘Mijn twee kinderen heb ik hier met hulp van mijn moeder gekregen. Mijn man viste en ik had een paar varkens, kippen en een moestuin met aardappelen, uien en mais. Ons eiland heeft altijd als team gewerkt en samen de schouders onder de zwaar- ste klussen gezet. Maar veertig jaar geleden werd het leven moeilijker. Vrijwel iedereen vertrok naar het vasteland, naar Boioa en Portonovo, waar een visafslag is. Alleen ’s zomers komen we nog terug, net als veertig buren.’

Even verderop werkt de 26-jarige María in bar Chiringo. Ze heeft net de generator aangeslagen, want elektriciteit komt hier per toerbeurt. Zij is hier geboren, woont op het vasteland, maar is in de zomer veel liever hier. ‘Voor de natuur. Maar vooral vanwege de solidariteit. We zijn allemaal familie.’

Filmlocatie
Weer aan de vaste wal trekken we verder langs de roemruchte Costa da Morte (Dodenkust), van Vigo tot A Coruña, in totaal zo’n 700 kilometer.
De kust van Galicië wordt op talloze plekken doorbroken door riviermondingen. En bij iedere monding is een vissersdorp te vinden, want het water is superrijk aan vis en schelpdieren. De Costa da Morte, het meest noordelijke kustdeel, is onherbergzaam en dunbevolkt. De straffe wind blaast hier altijd en de boten varen op voorzichtige afstand van de kust.

Bij de vuurtoren op Cabo Vilán verrijzen de rotsen als monsters uit de zee. In deze rotsen bevinden zich mysterieuze spleten en kieren die bij storm en vloed als spuitgaten van lucht en zeewater werken. Regisseur Alejandro Amenábar van de film Mar adentro koos deze kust als locatie voor de scène waarin Javier Bardem zijn nek breekt. Alles is grillig hier. De kustlijn zelf lijkt op de graten van een vis; vaak zie je aan twee kanten zee of weet je nauwelijks meer waar de zee of de riviermonding is. De bewoners gaven de wonderlijke rotsen namen als ‘schommelrots’, ‘hondenkoprots’ en ‘kussend stel’.

Cabo Vilan Galicië

Omstreden kerkhof
In het nabijgelegen Fisterra (‘einde van de wereld’) dansen de kleurige bootjes op het water. Deze plek is succesvol gepromoot: de laatste jaren is het er stervensdruk, vooral pelgrims komen hier graag. Maar wij zijn op zoek naar een bijzonder nieuw kerkhof. Eerst belanden we op het oude. Een weduwe die een grafsteen schoon schrobt zegt: ‘Het nieuwe? Daar is niemand. Ik ken het alleen van televisie. Het is veel te ver. Helemaal bij de vuurtoren.’ Maar daar zegt een kioskhouder: ‘Je moet terug richting het dorp. Het is een schandaal, het heeft een vermogen gekost en is verlaten.’ We rijden terug, omhoog, omlaag, en uiteindelijk vinden we het. Je zult hier maar liggen, wat een uitzicht!

We spreken Cholo, die samen met de toenmalige linkse burgemeester – een zeldzaamheid in het rechtse bolwerk Galicië – betrokken was bij het project van de internationaal bekende architect César Portela. Er was een hoop onenigheid over, en onder de volgende – weer rechtse – burgemeester werd het stilgelegd. Zo was het de bedoeling dat de granieten ‘bijenkorven’ overgroeid zouden raken, waardoor het kerkhof heel natuurlijk in de helling op zou gaan. ‘De eenvoudige dorpelingen hier zien het mooie van een ontwerp niet en voeren de afstand tot het dorp als excuus aan. Terwijl het uitzicht over zee weergaloos is: reken maar dat velen hier begraven willen worden.’ Costa da Morte – de dood is dichtbij. ‘Hier in Camelle zijn alleen de laatste twintig jaar al zo’n veertig vissers omgekomen,’ zegt Xosé. Om nog maar niet te spreken van de talloze schipbreuken.

Lees ook: recept voor empanadas uit Galicië

Accordeons in de branding
De herinnering aan de schipbreukelingen houden de oudjes levend. In het pittoreske dorp vertellen María en Lucía: ‘Vroeger hadden vissersboten zwakkere motoren dan nu. Stormen konden nog niet goed voorspeld worden. Op een keer, in een winterse nachtelijke storm, zonk de boot Palermo. De lading kisten met accordeons sloeg overboord. De mensen werden wakker van een ontstellend vibrerend geluid. Langgerekt, galmend, een bijna kosmisch geluid dat de storm overstemde. Toen ze naar het strand gingen, zagen ze de accordeons dansen op de golven.’ Lucía’s ogen glanzen, de volksfantasie en de verhalen komen boven- drijven. María vertelt over een boot met Christusbeelden die verging, maar toen het eerste Christusbeeld overboord sloeg, werd de woeste zee in één keer kalm.

Velen leefden van het strandjutten, vertellen ze. Of van het smokkelen. Een buurman, Antonio, komt bij ons staan en vertelt dat er op een keer enorme blikken gecondenseerde melk op het strand waren aangespoeld. Sommigen dachten dat het verf was en sausden hun buitenmuren ermee. Tot er een vliegenplaag kwam. En kort geleden zijn er blikken met kroketten en kisten met Chinees porselein aangespoeld. In 1890 verging hier de HMS Serpent van de Britse Royal Navy, waarbij 172 zeelui verdronken. De vrouwen hebben de lijken begraven op hetcementerio de los ingleses, een serene, eenvoudige rustplaats met uitzicht over verlaten stranden en kliffen. Maar Galicië is niet alleen maar drama. Van oudsher staat het bekend om de in het wild geboren en rondzwervende paarden: de póney gallego. In de jaren zeventig waren er nog tienduizenden, maar tegenwoordig zijn het er veel minder. De kleine paarden, die afstammen van oude Keltische en Romeinse rassen, zijn gehard en eten ook stekels. In de verte zien we ze galopperen: een zee van golvende, ruige vachten, slanke benen en wapperende manen. Altijd op zoek naar beschutting tegen de elementen, naar karig voedsel, maar met een vrije ziel.

Graanschuren
Niet veel verder ligt het schilderachtige Combarro. Dit vissersdorp is Galicië in een notendop: de haven met kleurrijke boten, de baai, het uitzicht over de riviermonding en de zee. Maar wat zouden die luciferdoosvormige bouwsels met een kruis op het dak zijn? Graftombes? Nee, antwoordt een visser lachend, dat denken er wel meer, maar Lucía’s ogen glanzen, de volksfantasie en de verhalen komen bovendrijven. Het zijn hórreos. ‘In deze graanschuren bewaren we aardappelen, mais en uien. Ze staan op palen, zodat de ratten er niet bij kunnen. De kruizen op het dak vragen de goddelijke bescherming voor de oogst. Hoe groter een hórreo, hoe meer status. Er zijn hórreos van tientallen meters, zoals in Carnota.’ Het bijzondere in Combarro is dat de kleinehórreos pal aan het strand staan. ‘’s Ochtends vissen we,’ zegt de visser en hij wijst op zijn fel- blauwe boot in het water. ‘En ’s middags werken we in onze moestuin.’ In Combarro word je in de eettentjes verleid overvloedig te schransen. De inktvis – de enige vis die het hele jaar te krijgen is – is de onbetwistbare koning.

Dit artikel is eerder verschenen in ESPANJE! (España & más nummer 3, jaargang 2015) en de informatie kan achterhaald zijn. Auteur: Karin Anema.

banner abonnement espanje

page7image10077696

Nieuwsbrief

[recaptcha size:compact]