Berg in Mallorca

Van Agatha Christie tot Claudia Schiffer: veel beroemdheden raakten verknocht aan Mallorca. En geef ze eens ongelijk. Het eiland heeft alles: een geweldig mediterraan klimaat, ruige en lieflijke landschappen, historische steden en honderden kilometers kustlijn met zandstranden, kliffen, dorpjes, havens en grottenstelsels.

Toegegeven: de meeste mensen bezoeken Mallorca nog steeds om vanuit hun huisje of hotelkamer zo naar het strand te lopen en daar de hele dag in de zon te bakken. Maar oh, wat missen die veel. Want Mallorca is pas echt leuk als je op ontdekkingstocht gaat. Lukraak, want je komt altijd wel weer iets bijzonders tegen: een pittoresk dorp, een heerlijke baai, met pijnbomen begroeide rotsen, eindeloze landweggetjes geflankeerd door amandel-en olijfbomen en eeuwenoude finca’s waar je kunt dineren bij romantisch kaarslicht. Maar eerst is er Palma!

Kloppend hart

Palma is met 400.000 inwoners het kloppende culturele hart van het eiland. Het oude centrum heeft momenteel nogal wat te lijden van de enorme cruiseschepen die aanmeren vlak voor de befaamde kathedraal La Seu. De passagiers overspoelen de winkelstraten en verpesten de sfeer. Daarom slaan we de Kalverstraat van Palma over en gaan de rustige zijstraatjes in met hippe boetieks en kunstgaleries. Ondanks de drukte is de kathedraal een must. Volgens de overlevering zou koning Jacobus I met de bouw begonnen zijn nadat hij de Maagd Maria in een hevige storm had beloofd een kathedraal te bouwen als hij het er levend van af zou brengen. Vooral het interieur is verrassend. Dit werd begin 20e eeuw aangepast door de beroemde Catalaanse bouwmeester Gaudí, die onder meer kroonluchters ontwierp en de nooit voltooide doornenkroon boven het altaar.

Lees meer: Gaudí’s werk in Spanje

Cultuurstad

Daarna lopen we naar het museum voor moderne kunst Es Baluard, dat net als de kathedraal uitkijkt over zee. Het 16e -eeuwse bastion dat hier al stond is op ingenieuze wijze versmolten met nieuwe strakke bouwwerken. De vaste collectie is indrukwekkend met werken van onder anderen Cézanne, Gauguin, Picasso, Miró, Magritte en Barcelóa, plus een mooie verzameling mediterrane landschappen. Het museum is gesloten op maandag maar dan kun je wel terecht op het voortreffelijke terras aan de voorkant, met uitzicht op de haven en de kathedraal. Als liefhebbers van Joan Miró gaan we daarna de stad even uit om het atelier van de Catalaanse meester te bezoeken. Miró, wiens moeder werd geboren op Mallorca, kwam al van kinds af aan op het eiland. In 1954, hij was toen al zestig, besloot hij er te gaan wonen en werken. Hij stierf er in 1983 op negentigjarige leeftijd. Even ten westen van Palma is nu een museum op het landgoed waar de kunstenaar woonde. Erg leuk is zijn atelier, dat sinds zijn dood niet meer is aangeraakt. Op de muren van zijn huis staan nog steeds de schetsen voor beeldhouwwerken die hij maakte.

Colletjes oefenen

Het toerisme op Mallorca speelde zich vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw vooral af langs de kust, waar steeds meer toeristengedrochten verrezen. Maar zo bont als aan sommige andere Spaanse costa’s hebben ze het op Mallorca nooit gemaakt. En het hart van het eiland werd tot voor kort nauwelijks bezocht door vreemdelingen. Daar begint langzamerhand verandering in te komen. Fietsers hebben de rustige wegen van de binnenlanden ontdekt om hun colletjes te oefenen. Waar je ook bent op het eiland, je komt ze overal tegen. Groepjes profwielrenners die over het asfalt zoeven, maar ook vijftigers die er hier wat kilo’s af willen trappen. De infrastructuur is al helemaal aangepast aan de fietsers. Je kunt bijna overal fietsen huren. Ook in de kleinere dorpjes in het binnenland staan rekken waar racefietsen met het zadel kunnen worden opgehangen, en in sommige dorpshotels kun je zelfs fietskleding en energydrankjes krijgen.

Lees meer: Mallorca: kust- en fietsparadijs

De berg van Llull

Eigenlijk kun je elk willekeurig weggetje wel nemen. Er is geen deel van het eiland dat wij zagen dat niet pittoresk en lieflijk was. Juist die streken die minder populair zijn onder toeristen hebben hun eigen charme, omdat het er rustig is. Een favoriete tocht van wielrenners die in en rond Palma verblijven gaat omhoog naar de kloosterberg van Randa. Hier stichtte de beroemde Mallorcaanse denker Ramón Llull in de 13e eeuw het Santuari Nostra Senyora de Cura. Llull, de zoon van een krijgsman die Mallorca veroverde op de Moren, was een notoire rokkenjager. Hij kwam echter tot inzicht nadat een vrouw hem haar misvormde borsten had getoond. Uiteindelijk ontpopte hij zich als een van de grote filosofen van Spanje. Hij was de eerste die behalve in het Arabisch en Latijn ook in het Catalaans schreef. Het klooster dat hij stichtte ligt boven op een berg met uitzicht op het eiland en de zee. Bij helder weer kun je zelfs Ibiza zien liggen. Een pittige klim voor de fietsers, die eenmaal boven kunnen uitrusten met een kop koffie op het terras van het kloosterrestaurant.

Slow tourism

Wij bezoeken na een paar dagen Palma het klooster van Llull op doorreis richting het noorden van het eiland, waar we een huis hebben gehuurd in Son Serra de Marina. Het blijkt een schot in de roos. Het ligt in een villawijk waar vooral Mallorcanen een tweede huisje hebben. Alle villa’s zijn anders, er is veel groen, de braakliggende terreinen tussen de huizen en de duinen achter de villawijk zorgen voor ruimte en het strand is aan het einde van de straat. Dat is weer eens wat anders dan de toeristencomplexen in Ca’n Picafort en Alcúdia even verderop. Het bestaat dus nog hier aan de kust van Mallorca: slow tourism, plekken waar je in een rustig tempo kunt genieten van het klimaat en de zee zonder lawaaiige souvenirshops en restaurants. Hoewel de wijk aan een breed en langgerekt zandstrand ligt is het hier buiten het hoogseizoen opmerkelijk rustig, ook als de andere stranden op zonnige dagen overvol zijn. Het geheim? Ecologisch strandbeheer. De eigenares van de lokale supermarkt, die hier al drie generaties Mallorcanen zag komen, vertelt dat de algen op de stranden hier niet worden opgeruimd. Gevolg is een dikke plak ‘rommel’ aan de kustlijn. Toeristen halen er hun neus voor op, maar de mallorquinos willen het oude evenwicht graag herstellen. In het uiterste hoekje van de wijk liggen twee restaurants met uitzicht op de duinen en zee. Van hieruit starten diverse wandelingen door de duinen naar nabijgelegen dorpen, zoals Colonia de Sant Pere. Even verderop in Betlem eindigt de bewoonde wereld en lopen paadjes langs de rotsen naar verborgen strandjes. Het is avond. We durven de steile afdaling niet meer aan en kiezen voor een van de weinige restaurants in deze uithoek. Op het terras van Ibiza-style Casa Blanca (witte lounge-stoelen, zwembad, livemuziek en een trapje naar een verlaten strand) zien we hoe de zon achter de horizon zakt.

Beschutte baaien

De volgende dag rijden we langs het natuurgebied s’Albufera en een lint van toeristenhotels naar Port de Pollença. Hier streek in maart 1932 Agatha Christie neer toen ze in Palma geen kamer kon bemachtigen omdat de drie tophotels vol zaten met Engelse en Amerikaanse toeristen. Toen ze Port de Pollença zag was ze diep onder de indruk. ‘This was the site I was looking for…!’ riep ze uit. De pijnbomen, de beschutte baaien, het helderblauwe water, het heerlijke klimaat. De schrijfster was verrukt. Ze maakte er lange wandelingen en deed er inspiratie op voor haar boek Problems at Pollensa Bay. Iets van de sfeer die Christie hier moet heb- ben aangetroffen hangt er nog steeds. Geen drukke toestanden hier, maar families met kleine kinderen die lekker poedelen in het water aan de stranden, die direct grenzen aan de rustige boulevard met een paar prima restaurants in oude vissershuizen. We willen doorrijden naar de Cap de Formentor, de woeste rotskust op het uiterst noordelijke schiereiland. De weg slingert omhoog tot het eerste uitkijkpunt, waar geliefden sloten aan de hekken hangen om hun liefde te bezegelen. Rotsen om ons heen en in de diepte de blauwe zee. ‘Hier is laatst iemand gesprongen,’ fluistert de vrouw achter ons. Brrr. We moeten er niet aan denken. Als we even verderop links willen afslaan om naar het puntje van de kaap te rijden, blijkt de weg net geasfalteerd; we mogen niet verder. Het is nog 9 kilometer lopen naar het uiterste puntje. Dat vinden we net iets te gortig. Fietsers die naar beneden komen zoeven maken dankbaar gebruik van het verse asfalt.

Kamperen op het strand

Dan maar naar het strand aan de andere kant van de weg. Hier aan de beschutte Cala Formentor namen beroemdheden als Winston Churchill, John Wayne en Octavio Paz een duik in het kristalheldere water. De rustige baai met fijn wit zand, rieten parasols en dennenbomen die wat schaduw bieden is bezaaid met strandbedden, die op sommige plekken €25 per dag kosten. Gelukkig is ertussenin genoeg ruimte voor onze handdoeken. Later op de dag rijden we terug naar Port de Pollença op zoek naar het parkeerterrein waar een van de populairste wandelingen in deze regio start. Dwars door de bergen lopen we in ongeveer een uur naar de andere kant van het schiereiland, naar Cala Boquer. Eerst komen we langs de hekken van een finca. In de diepte liggen akkers, rechts zien we rotsen. Uiteindelijk zien we de baai, waar twee vissers en twee wildkampeerders zijn neergestreken maar het verder verlaten is. Hier willen we blijven!

Lees ook: De 10 grootste verschillen tussen Ibiza en Mallorca

Dit artikel is eerder verschenen in ESPANJE! (España & más nummer 1, jaargang 2015) en de informatie kan achterhaald zijn. Auteur: Marjan Terpstra.