Een foto van de brug van Ronda

Weg van de toeristenkolonies van Torremolinos en Marbella vind je nog mooie ongerepte dorpjes in Andalusië. Anne Middelkamp woont en werkt in de allermooiste daarvan: Vejer de la Frontera. Ze geeft tips en neemt ons mee op een virtuele rondreis langs andere bijzondere dorpen in Zuid-Spanje.

‘Nee, niet omdat ik er zelf woon’, zegt Anne Middelkamp. ‘Vejer is gewoon echt het allermooiste dorp van Andalusië.’ Anne woont samen met haar man Arco en hun twee schoolgaande kinderen in het Zuid-Spaanse Vejer, waar ze een reisorganisatie hebben. Met haar selecteren we naast Vejer nog een paar andere must-seedorpen in de regio. Dat is nog best een klus, want het zijn er zoveel. Maar we komen uit op een prachtig rondje door het zuiden, te beginnen in… Vejer.

Lees ook: Wandeloase in Andalusië

Vejer de la Frontera

Vejer is net als de andere plaatsen eindigend op ‘de la Frontera’ – waarvan de bekendste natuurlijk Jerez – een hooggelegen vestingstadje met kronkelige witte straten en oude Moorse elementen. ‘Het ligt op 10 kilometer van de mooiste stranden en toch is er een rustig soort toerisme,’ zegt Anne. ‘De inwoners zijn vriendelijk en gastvrij.’ Vejer de la Frontera is een van de befaamde witte dorpjes (pueblos blancos) van Andalusië, of om precies te zijn de contreien rond Cádiz en Málaga. In het geval van Vejer betekent wit spierwit. Je hebt gradaties van wit, vertelt Anne. ‘Dit dorp is net even wat rijker dan andere dorpen en heeft een rechtse burgemeester die de huiseigenaren verplicht elke twee jaar hun huizen in de witte kalk te zetten. Daarvan kun je vinden wat je wilt, maar het dorp ligt er in ieder geval prachtig verzorgd bij.’

Het kan flink waaien rond Vejer en dat is een geluk bij een ongeluk voor de regio. ‘Door Málaga’s milde klimaat zijn witte dorpjes aan toerisme ten onder gegaan. Hier durven projectontwikkelaars door de soms straffe winden geen grootschalig toerisme aan.’ Rustzoekers vinden op de nabijgelegen stranden buiten een paar chiringuitos (strandbars) niets dan zee en lange zandstranden. Voor meer vertier rijd je even door naar Tarifa, de hoofdstad van het kitesurfen, bevolkt door laidback surfdudes.

Een mooie tijd om te gaan is tijdens de feestweek (feria) in het voorjaar, die volgt op de heilige week Semana Santa. Of tijdens de processies in mei en augustus. ‘Ontroerend hoe de bewoners in lange processies het Mariabeeld vanuit haar rustplaats naar boven dragen, waarbij ze de maagd “Ik hou van je!” toeroepen. De ferias zijn minder elitair dan die van Sevilla, waar je alleen op uitnodiging bij de privéfeesten naar binnen mag. Hier zijn toeristen overal welkom, al stellen de inwoners het op prijs als jij je net als zij op je paasbest uitdost, al is het maar met een bloem in het haar.’ Echte flamenco vind je op alle dorps- en stadsfeesten in Andalusië. ‘Het leeft hier nog echt,’ zegt Anne. ‘Jong en oud danst de sevillanas.’ In haar dorp organiseert de lokale flamencoclub (peña flamenca) elk weekend flamenco-optredens in de voormalige kerk Antigua Ermita del Rosario, die nu dienstdoet als kroeg.

Eten kun je als de beste in Vejer. Aan de Plaza España met de kikkerfontein liggen gerenommeerde restaurants als Garimba Sur, Trafalgar, El Jardín del Califa. Geheimtip van Anne: de oudste kroeg en een van de meest authentieke plekjes om te eten is Venta el Toro, helemaal volgehangen met stierenvechtersattributen. Nog geheimer: Abacería la Oficina, een ieniemienie tapasrestaurantje van vijf, zes tafeltjes binnen en pal op straat nog twee. Of het ’m nou zit in de bereiding van de spartelverse blauwvintonijn (die mag hier voor de kust nog gevangen worden), de woest aantrekkelijke eigenaar annex kunstenaar of de joviale ober in de bediening, het is elke dag dringen voor een van de schaarse tafeltjes. Alleen van mei tot en met september open.

Lees ook: De 10 mooiste Spaanse dorpen

Medina-Sidonia

Zo’n 30 kilometer noordwaarts ligt Medina-Sidonia, op een halfuur rijden van de kust. ‘Daarom zie je hier weinig toeristen,’ zegt Anne, ‘en zeker niet veel buitenlanders.’ Medina is een van de oudste plaatsen van Europa, zo niet de oudste. En alsof dat nog niet genoeg is, bevindt zich hier het oudste christelijke gebouw van Andalusië, de kapel Santos Mártires Justo y Pastor, waarvan de eerste bouwstenen werden gelegd door de Romeinen rond 400. ‘Het hele dorp is prachtig,’ zegt Anne, ‘met z’n nauwe straatjes, mooie pleinen en kerken, zoals de indrukwekkende Santa María la Coronada. Het grote plein, de plaza, is altijd gezellig druk. Je hebt er een paar geweldige tapasbarretjes zoals Bar Cádiz en gerenommeerde restaurants als El Duque en beneden het dorp La Duquesa.’ O ja: ‘De koekjes van Medina zijn beroemd!’

Baños de la Encina

Vandaar maken we een enorme zwieper naar het noordoosten. Bezoek als je in de regio bent zeker eens Baños de la Encina, zegt Anne. Niet voor een lang verblijf, daarvoor is het te piep. Heel pittoresk, met op de top een duizend jaar oud Moors kasteel dat zo uit een filmset had kunnen komen, tegen het decor van de bergen van de Sierra Morena. Het kleine dorpje heeft een ongekend hoge cultuurdichtheid. Zo is er naast het fort de 15e-eeuwse kerk San Mateo, met mooie renaissancetoren en monumentaal altaarstuk, en een oude graanmolen. Hier wordt veel wild gegeten, weet Anne. ‘Casse de monte, een stoofpotje van gepekeld everzwijn of hert is typisch voor dit dorpje.’

Segura de la Sierra

Gevraagd naar natuurschoon in Andalusië, komt vaak als eerste de Sierra Nevada met zijn Alpujarras in gedachten. Minder hoog en minder bekend, maar met een minstens even mooie natuur is het grootste beschermde natuurpark van Spanje – met de onuitspreekbare naam – Parque Natural Sierras de Cazorla, Segura y las Villas. In het ruige Cazorla broeden zeldzame vogels als de steenarend, vale gier en lammergier in de kalkstenen rotsformaties waaruit gigantische watervallen ontspringen. In het dichtbeboste berglandschap leven herten, everzwijnen en een enkele lynx. Nog een geheimtip van Anne is een afgelegen restaurant midden in het park, waar de kinderen de schrik van hun leven kregen: El Taxidermista. Een waar stropershol waar grote, opgezette hertenkoppen aan de muur je aankijken. Geen aanrader dus voor vegetariërs en tere kinderzieltjes, maar wel een belevenis zo tussen de houthakkers, boswachters en stropers die enorme schalen vlees verorberen.

Aan de rand, ten noorden van het park, slingert het dorpje Segura de la Sierra zich heel schilderachtig om een heuveltop, met bovenop een Moors kasteel. Wat minder opgepoetst dan andere witte dorpen, maar dat vindt Anne er juist leuk aan. ‘Er is maar weinig toerisme. Om een idee te geven: het dorp telt precies twee restaurantjes (voor een Spaans dorp is dat erg weinig) en die zijn lang niet altijd open.’

Lees ook: Highlights tijdens een roadtrip door Spanje

Priego de Córdoba

Priego de Córdoba is het mooiste dorp van Spanje, althans voor de lezers van de krant ABC. Ook Anne werd hier aangenaam verrast. ‘Een Córdoba in het klein. Heel lieflijk, bloemrijk, een beetje in de sfeer van de huizen uit Baskenland, met luiken en balkonnetjes, maar dan zonder het vakwerk.’ Het heuvelachtige natuurpark Sierras Subbéticas met veel olijfbomen is al net zo lieflijk en bloemrijk. Hier bloeien in het wild lelies, orchideeën en pioenen; bloemen die wij alleen uit de bloemenwinkel kennen. Een mooie tijd om te gaan is na de eerste herfstregens. ‘Dan wordt alles weer groen, alsof de lente opnieuw begint, en steken de bloemen weer hun kop op.’

Pampaneira

We duiken 150 kilometer naar beneden, onder de Sierra Nevada. ‘In de hoge Alpujarras liggen monumenten van witte dorpjes,’ zegt Anne. De bekendste drie zijn Bubión, Capileira en Pampaneira. Anne wandelt graag in de bergen bij Pampaneira, een dorpje met vierhonderd inwoners en een paar toeristen, niet veel, want de weg die zich naar 1150 meter hoogte kronkelt, kun je maar beter op je gemakje doen. In februari kleuren de bergen witroze van de amandelbloesem. Op deze eenzame hoogte heb je als sportieve wandelaar de bergen voor je alleen. ‘Ga het liefst met een gids op pad,’ luidt haar advies. ‘Zelfs de GR-routes zijn niet altijd even goed bewegwijzerd. Het gevaar bestaat dat je wordt overvallen door mist of kou.’ Als de bergen je nog niet genoeg zen hebben gemaakt, probeer dan eens een bezoek aan het Tibetaanse boeddhistenklooster O Sel Ling, met fantastisch uitzicht over de Sierra Nevada tot aan de kust.

Ronda

Niet bepaald een geheimtip te noemen: Ronda is met z’n entree over de brug Puente Nuevo over het ravijn hét uithangbord van de witte dorpen. ‘Geen plek om te ontdekken, nee. Iedereen kent het. Maar denk de busladingen toeristen weg en Ronda is magisch.’ Om te beginnen is de stierenvechtersarena een must. ‘Zelf ben ik totaal geen fan van stierenvechten, ik vind het zelfs gruwelijk, maar deze Plaza de toros is een plaatje.’ Anne loopt altijd met een boog om het nieuwere deel heen, waar de meeste toeristen zich ophouden in de winkelstraten en sangria drinken op de terrassen (‘Als er één ding on-Spaans is, is het sangria’). Ze steekt gelijk over de Puente Nuevo door naar de andere kant van Ronda, het oude deel, met volksbuurt San Francisco. ‘Het uitzicht aan die kant is net zo spectaculair. Het is er sfeervol, veel rustiger, mooie terrassen met oude bomen. Op het romantische pleintje Los Campillos hoor je ’s ochtends om zeven uur bij het klooster de nonnetjes zingen. Van hier kun je over een eeuwenoud Romeins kasseienpad naar beneden het ravijn in voor een spectaculair zicht op de brug.’ El Castillo op het Plaza Duquesa de Parcent tipt Anne als een bijzondere plek om te chillen. Nog een tip: De Locos tapas, een klein tapasrestaurant bestierd door een Bask. ‘De beste tapas ever. Wel heel erg hot, je moet reserveren.’ Een echt restaurant- restaurant, dus geen tapas, is Almocabar. Goed eten, geserveerd met de betere wijnen uit Ronda.

Lees ook: De wonderen van Galicië

Dit artikel is eerder verschenen in ESPANJE! (España & más nummer 1, jaargang 2016) en de informatie kan achterhaald zijn. Auteur: Annet Maseland.